woensdag 23 juli 2014

Oude kaarten II

Bij het opruimen kwam ik - mijn column in de LC van vandaag gaat erover - deze ansichtkaart tegen, die kennelijk zowel met plakband als met een punaise opgehangen is geweest. Ik schat dat hij uit 1960 of begin 1961 is.

Het is een kaart uit Cairo, die pa stuurde vanuit het Suezkanaal. Hij zat toen al een tijd op de grote vaart en was, als je terugrekent, 25 of 26 jaar.

Pa vertelt wel eens dat er bij het Suezkanaal een hondje is komen aanlopen dat op het schip is blijven en altijd bij hem in de hut sliep. Klopt toch, pa?




Dit schreef hij er achterop. Kijk eens naar dat keurige handschrift. Dat heeft hij nog.





Hier is er nog een. Van iets later, na april 1961, want ik moest hem al met Waling delen. Het is een zwartwitfoto, die als ansichtkaart is ingekleurd. Rood voor de fezzen van de handelaars van de Kissaria des Cuivres in Casablanca, geel voor de koperen koopwaar en blauw voor zilverachtige dingen. En voor, gek genoeg, de kinderwagen op de achtergrond.

maandag 21 juli 2014

Albatrossen, lama's, brontosaurussen, papegaaien en pythons

In de bioscoop zat ik gisteren naast Bernard Post, iemand die net als ik in zijn studententijd fan van Monty Python's Flying Circus was geworden.

,,Ik had het op tv destijds ook wel gezien", zei hij. ,,En toen vond ik het leuk, maar pas als student ging ik het waarderen." Hij kocht alle platen (ja, liefhebbers: ook die met die dubbele groef) en draaide ze grijs. En volgde de leden van Monty Python op hun verdere ondernemingen.

John Cleese die de serie Fawlty Towers maakte en veel opdook in kleine rolletjes in allerlei films. Steeds andere rollen, maar steeds eigenlijk als John Cleese. Michael Palin die reisprogramma's maakte voor de BBC. Terry Gilliam die meesterlijke films maakte. Eric Idle, die meer in de muziek ging. En Terry Jones, van wie je eigenlijk weinig merkte: die deed academische dingen.

In een heleboel bioscopen was gisteravond de laatste van tien reunieoptredens van deze vijf Monty-Pythonleden in O2 in Londen (Oz, zei een van de Bruces) live te volgen. In Engeland was hij ook op tv, maar omdat het al zo vroeg begon werd daar in de eerste helft van alles gecensureerd. De naughty bits, dus, die er natuurlijk volop waren.

Ik had een zakdoek op mijn hoofd gebonden, als een echte Gumby. Thuis kon ik het niet onderdrukken om steeds My brain hurts! te zeggen, maar onderweg naar de bioscoop liet ik dat achterwege. Mensen keken zo al genoeg naar me.

Aan een tafeltje bij de Dikke van Dale zaten een paar jongens die het snapten. ,,Die is er helemaal klaar voor", riepen ze en zongen de Liberty Bell March.

Voor de gelegenheid had ik ook een Brits T-shirt aan, maar dat viel in het niet bij het shirt van Bernard Post, waar de Silly Walk op stond. Post had, vertelde hij, de show in Londen gezien vorige week. Vrijdag heen, zaterdag terug. ,,Hij is op herhaling", zei de vrouw naast hem.

,,Ik heb ze daar in de zaal gezien", zei hij zelf. ,,Hier is het weer meer een beetje alsof je ze op tv ziet."

Hij kende sommige liedjes beter dan ik (I like Chinese, bijvoorbeeld), maar ik kende andere gelukkig weer beter (Eric the Half a Bee, The Money Song). Voor het begon werden er wat triviant-vragen over Monty Python geprojecteerd, waarvan sommige te makkelijk waren (,,Welk Monty Python-lid verkocht, verkleed als vrouw, albatros als snack?") en andere best pittig (,,In welk ander land dan Ierland werd 'Life of Brian' ook verboden?").

Eigenlijk popelde mijn buurman om me van alles over de show te verklappen, maar hij hield zich in. ,,De eerste sketch is meteen pakkend", zei hij wel. ,,Het is ook de enige sketch waarmee ze kunnen beginnen."

Hij bedoelde de Vier Yorkshiremen, vier mannen die met cognac en sigaren zitten te pochen over hoe ellendig ze het thuis vroeger hadden. ,,Who’d have thought 40 years ago we’d all be sitting here doing Monty Python?", zeiden ze.

Het was niet letterlijk de eerste sketch: voor het doek opging was er een muziekmedley, toen was er een animatie met Graham Chapman, en daar stapten de vijf andere Pythons het toneel op. Ze waren ook op groot scherm te zien, met de tekst: Photo Opportunity. Daarna was er een lezing, in het Spaans, over de Lama (,,Lamas zijn groter dan kikkers") en toen pas de Yorkshiremen.

Op zich was het een eenvoudige show: een soort greatest hits van Monty Python, absurde gesprekken dus in verrassend lullige decors, afgewisseld met een uitbundige, kleurrijke revue van een stuk of twintig dansers, die alle vieze liedjes deden.

Sit on my face (and tell me that you love me), The Penis Song (waarbij twee fallische kanonnen op het toneel schuim spoten), het lied van de Bruces over beroemde denkers en hun drinkgedrag, het ultrakatholieke Every Sperm is Sacred, I Like Chinese, I'm a Lumberjack, een Silly Walk dans die er heel goed uitzag, Christmas in Heaven (heb ik nooit een leuk lied gevonden) en tenslotte natuurlijk Always Look on the Bright Side of Life. 

Bernard en ik zaten geregeld mee te zingen, maar de rest van de bioscoop zo te horen niet. Dat was eigenlijk wel jammer, maar het kon ons gaandeweg steeds minder schelen en bij het slotlied gingen we helemaal los. Dit was tenslotte de allerlaatste keer dat die mensen van Monty Python optraden, Eric Idle riep de bioscoopgangers overal ter wereld op om mee te zingen en het is een geweldig lied, opgetogen tegen beter weten in, alsof je de dood in het gezicht spuugt.

Bij de wisselingen (zowel dansers als Pythons hebben zich ontzettend vaak verkleed, en behoorlijk rap ook) waren er de animatiefilmpjes van Gilliam, soms wat actueler gemaakt. Zo is er dat filmpje met Michelangelo's David, met een vijgeblad. Een hand probeert dat steeds weg te trekken, en uiteindelijk lukt dat. Zit de kop van Poetin erachter.

Wat de sketches betreft zat Bernard me wat op te jutten. ,,De Dead Parrot zit er niet in", probeerde hij, maar ik geloofde het niet. Terecht.

We kregen de discussie van de paus met Michelangelo, die tot ongenoegen van de opdrachtgever een laatste avondmaal heeft geschilderd met 26 apostels en 3 Jezussen. ,,Omdat het werkt, de vette is een tegenwicht tegen de twee magere!" Het gesprek tussen Mr. en Mrs. Blackitt, waarin hij zijn vrouw uitlegt dat ze, als protestanten, voorbehoedsmiddelen mogen gebruiken.

De beroepskeuzetest, met een registeraccountant die eigenlijk leeuwentemmer wil worden en al een hoed heeft gekocht met leeuwentemmer erop. Want accountancy is zo saai, klaagt hij. Maar onze test wijst uit dat u dat ook bent, zegt de beroepskeuzeman. ,,Onze deskundigen omschrijven u als een weerzinwekken saaie figuur, fantasieloos, timide, zonder initiatief, ruggegraatloos, makkelijk t overheersen, zonder gevoel voor humor, slaapverwekkend gezelschap en onstuitbaar grijs en verschrikkelijk. En waar dat in de meeste beroepen als grote nadelen zou gelden, zijn ze juist een positieve aanbeveling in registeraccountancy." De sketch mondde uit in de Lumberjack Song.

Crunchy Frog, waar een bonbonmaker bezoek krijgt van een soort warenwet, omdat hij kikkers in zijn snoep verwerkt zonder dat op de doos te vermelden. ,,Als ik de botten eruit zou halen, zou hij niet meer crunchy zijn!"

De man die in anagrammen spreekt, en boos wegloopt als de interviewer hem erop wijst dat het verwisselen van beginletters geen anagram is.

De dood van Mary, Queen of Scots: twee oude taarten luisteren naar de radio, die ontploft. Gumby bloemschikken. Twee rechters met vrouwenondergoed onder hun toga: was vroeger al een rare sketch, maar nu Eric Idle en Michael Palin in de zeventig zijn, is het nog raarder om te zien. De albatrosverkoper (John Cleese dus). Nudge nudge. De Blackmailshow (zag er goed uit maar was rommelig, met Mike Myers als mystery guest). Anne Elk, die er heel lang over doet om haar theorie over de brontosaurus te presenteren: ,,A brontosaurus is thin at one end, much, much thicker in the middle and then thin again at the far end."

The Spanish Inquisition, de Galaxy Song met een filmpje erachteraan waarin de Engelse deeltjesfysicus Brian Cox vertelt wat er niet klopt in dat lied, tot hij ondersteboven gereden wordt door Stephen Hawking met zijn rolstoel, die hem maar een pedante praatjesmaker vindt. Hawking zat ook in de zaal. En dan de beroemdsten, achter elkaar: The Argument, Spam, de dode papegaai, de kaaswinkel. 

Oude bekenden, heerlijk om terug te zien, ook al ken je ze woord voor woord.

Terry Jones was niet altijd tekstvast: hij las bij Crunchy Frog voor van een briefje, dat John Cleese (de inspecteur) op een gegeven moment afpakte en zelf ging voorlezen. Er waren meer van zulke inbreuken. Bij de Dead Parrot begon Cleese ineens over iemand van de Daily Mail, die een asshole-transplant zou hebben gehad. Michael Palin liet zich niet uit het veld slaan en antwoorde: ,,I heard the asshole rejected him", waarna de sketch weer verder ging.

Ze hadden allemaal wel weer hun oude rol. Palin als de gretige, goedbedoelende man, Cleese als de man die op ontploffen staat, Jones als de pompeuze Brit (of de schrille Britse), Idle als de Tom-Jones-achtige showman en Terry Gilliam als de clown, met de raarste kostuums en de malste grimassen. Hiernaast staat hij links, naast een Noel-Cowardachtige Eric Idle.

Van mij mag het vanavond weer, en van Bernard vast ook. ,,Iets dat veertig jaar geleden gedaan is, en waarvan ze zelf niet eens wisten of het wel leuk zou zijn, dat is er nu nog steeds", zei hij. Terecht.

Maar dit was echt de allerlaatste keer. Na Always Look on the Bright Side of Live verschenen er drie teksten op het scherm achter het podium. Graham Chapman 1941-1989. Monty Python 1969-2014. En tenslotte: Piss Off.

(De foto's, gemaakt op de laatste avond, komen van Dave J. Hogan van Getty Images. Hier staan er nog meer.)






donderdag 17 juli 2014

Mijn collega komt zo bij u

Op de Spathoek, Terschelling - Harlingen. Ik loop naar het buffet, want ik moet koffie hebben.  Verder blijft iedereen zitten. Personeel kijkt me wat verbaasd aan. Een kassa is niet te zien.

,,Kan ik al koffie krijgen of moet ik wachten tot we varen", vraag ik. Want het is me duidelijk dat ik iets verkeerd doe.

,,U kunt koffie krijgen", zegt de kellnerin, ,,We brengen het bij u."

Even later staat haar collega bij me met koffie.

,,Voor het eerst op de veerboot?", vraagt hij.

,,Ik ben die van Ameland gewend", zeg ik.

,,Ja, die van Ameland", zegt hij, op een meewarige toon die je enkel op andere eilanden hoort.

(Let ook op het Droste-effect in het kopje)

woensdag 16 juli 2014

Oude kaarten

Bij het opruimen van oude kaarten kom je nog eens iets bijzonders tegen. Ik blijk er best wel veel te hebben met dieren erop.

Vooral poezen; die kaarten kreeg ik begin jaren zeventig veel. Zo een met aangeklede poezen (middenonder), heeft wel wat, iets lekker onechts. Bestaat dat fenomeen eigenlijk nog?

De bovenste is ook lekker onecht. Die heb ik niet, ik heb hem gefotoshopt. Maar hij zou eigenlijk wel moeten bestaan.


zaterdag 12 juli 2014

Hoe sterk is de eenzame fietser



Deze week maakte ik met fotograaf Laurens Aaij een fietstochtje door de stad, om in de krant een idee te kunnen geven van alle omleidingsborden die er op het ogenblik in Leeuwarden staan. Zie de kleine foto.

Laurens zette ze weliswaar op de kiek, maar we letten verder niet echt op de teksten op die borden. Het zijn er gewoon te veel. Zodat ik bij een viaduct de fiets over een afscheiding moest tillen om verder te kunnen.

Ook dat legde Laurens vast, die zelf zijn fiets door een uitsparing in dat houten hek links prutste.

vrijdag 11 juli 2014

Dode schrijvers en la Mattchiche



En terwijl de kring om ons steeds aangroeide, tot het een gansche volksverzameling geworden was, waarin zich al heel spoedig de strenge figuur van een Oosterbeekschen veldwachter vertoonde, zong Naphta in vervoering een onzer schoonste Napolitaansche liederen, het melancholieke Senza Core.
Dat trok!

,,'t Is geen Fransch, wat ze zingen", merkt een juffrouw op, die in diepe aandacht achter ons te luisteren stond.
,,'t Is Italiaansch", verklaarde een deftig heer, die een beter plaatsje zocht, blijkbaar om onze Italiaansche typen te bestudeeren.
,,'t Zijn Italiane", ging het bliksemsnel de kring door en de belangstelling was plotseling verdubbeld. We begrepen, dat het zaak was om toen in ons Italiaansch repertoire te blijven.


Dat stukje komt uit Avonturen als Straatmuzikant, dat ik vorige week vond in die container vol boeken. Niet een boek waar ik naar op zoek was, maar wel een waar ik benieuwd naar was.

Max Blokzijl, die later zou worden doodgeschoten vanwege zijn propaganda-radiopraatjes tijdens de bezetting, en Jean-Louis Pisuisse, die later zou worden doodgeschoten door de minnaar van zijn vrouw, schreven het. Ze waren toen nog jonge journalisten bij het Algemeen Handelsblad (nu NRC Handelsblad) en deden zich een week voor als straatmuzikanten.
We waren beiden jong, beiden Amsterdamsch journalist, beiden beu van uitslaande branden die met koolzuurspuiten en Vechtslangen worden gebluscht, beu van vergaderingen die met gebruikelijke plichtplegingen worden geopend en gesloten, beiden 't snorren naar berichtjes van meer of minder belangwekkend moe, beiden zeer hard verlangend naar iets wat buiten de lijn van ons dadelijksch werk lag, maar toch ook weer niet geheel onvereenigbaar was met den aard van ons beroep en onze natuurlijken aanleg.
Mijn LC-column van vandaag gaat over het boek, dat na dik een eeuw verrassend lekker weg leest.

Het is ook interessant, welke nummers ze vooral moeten spelen. Wat klassiek (het Largo van Haendel), iets dat Schaukellied heet, een walsje, marsen van Sousa, Italiaanse liedjes, soms een ondeugend lied als ze denken dat de luisteraars dat aankunnen en heel vaak La Mattchiche.

Dat was blijkbaar een hit in 1907, en verdomd, de melodie is nog bekend ook, want in de jaren zestig is het nog een carnavalshitje van Leo Kuijsters geweest, De dochter van de slager. Luister maar naar het refrein:




(De laatste foto van Pisuisses gezelschap staat hierboven; hij werd op 6 september 1927 in Leeuwarden gemaakt door de kleurrijke journalist Jean Lenglet.)